Dan
wordt er gebeld. Ariane springt op en gaat naar de deur. Vóór haar staat, twee
koppen kleiner, op klaarlichte dag, het Hartenklaasje.
“Ik
wil je nog “Tot ziens en veel geluk” komen zeggen”.
“Hartenklaasje,
waarom ga je weg?”
“Ik
ben hier klaar. Je vader heeft Tijd, Tovenarij en Tederheid gevonden. Hij heeft
mij nou niet meer nodig. Maar jou wil ik nog bedanken.”
“Waarom?”
“Omdat
je je vader bij het zoeken geholpen hebt. Nou hoef ik niet meer boven op hem te
springen, hem te drukken, op hem te vallen en hem te knijpen. Dat heb ik
eigenlijk ook helemaal niet zo graag gedaan. Hij is veel te aardig. Het is niet
leuk om hem pijn te doen.”
“En
waar ga je dan nu naar toe, Hartenklaasje?”
“Ik
ken nog een grote Pissebed, die zit in een soort huis van spiegels. Hij praat
aan de telefoon, drinkt koffie, rookt sigaretten, praat en scheldt en ergert
zich aan alles en iedereen en hij doet dat allemaal tegelijk maar heeft nergens
tijd voor”.
“Meneer
Wallenberg?”
Het
Hartenklaasje trekt een geheimzinnig gezicht.
“Tot
ziens, Ariaantje”.
“Wacht
even!”
“Wat
is er nou weer?”
“Ik
wil jou ook nog “Dankjewel” zeggen”.
Het
Hartenklaasje kijkt verbaasd.
“Waarvoor?”
“Jij
hebt mij mijn vader en moeder terug gegeven. Mama en papa hebben nou tijd voor
mij.”
“Graag
gedaan, hoor!”
Het
Hartenklaasje lacht en loopt de trap naar beneden, de straat op.
“Wie
was dat?”, roep Ariane’s vader vanuit de keuken.
“Oh”, zegt Ariane, “er had iemand op de verkeerde bel gedrukt."

Hildegard Wohlgemuth